“In de stadskern zijn speeltuinen de enige plekken die vaak onbenut blijven”

Kunstenaar Philippe Van Wolputte zoekt al meer dan twintig jaar vergeten plekken op. In het verleden trok hij naar leegstaande panden en gebouwen die wachtten op de sloophamer. In zijn expo ‘Child’s Play’ in de Warande presenteert hij een nieuwe reeks werken. Die zijn gelinkt aan een verrassende vergeten plek: de speeltuin.

Als kind bezocht je elk weekend je grootouders in het polderdorp Doel. Daar zag je hoe drastisch de mens landschappen kan aanpassen. Ontstond daar jouw fascinatie voor plekken die lijken te wachten op transformatie?

Philippe Van Wolputte: “Ik heb gezien hoe een hele gemeenschap kapot is gegaan door beslissingen van hogerop. Naast de uiteindelijke ontruiming en verplichte ontzetting leefde mijn familie jarenlang in onzekerheid. Ik merkte hoe de weg naar het dorp steeds langer werd door steeds grotere omleidingen. Het dorp raakte meer en meer geïsoleerd, alsof de ziel er stilletjes werd uitgeknepen. Tijdens de nachtelijke ritten terug van Doel naar Borgerhout was ik verbijsterd en geïrriteerd door de wanorde die de mens aanricht. De afbakeningen, tijdelijke richtingaanwijzers, beveiligingscamera’s en afbraak hadden op jonge leeftijd al een diepe impact op mij.”

Je zoekt verlaten plekken niet alleen op, je gaat er ook aan de slag. Waar komt die drijfveer vandaan?

“Het is een gevolg van mijn eerste creatieve periode in de publieke ruimte onder het mom van graffiti- en straatkunstenaar. Dat was tussen 1998 en 2003. De straat liet me toe om mijn creaties te tonen zonder te moeten wachten op een mogelijkheid om te exposeren. Ook leerde ze me op een andere manier te kijken naar alles rondom
me. Ze trainde mijn ogen in de zoektocht naar mogelijke dragers en locaties voor kunstingrepen. Het probleem was dat het toen bij graffiti vaak enkel ging om het najagen van een soort erkenning en dat graffiti bovendien sterk gebonden was aan bepaalde codes. Volgens mij is dat een te grote contradictie van wat kunst hoort te zijn. Daarom nam ik het besluit om – in plaats van werk te maken op zeer publieke locaties – net het tegenovergestelde te doen. Ik verplaatste mijn werkterrein naar afgelegen plekken, weg van de massa.”

“Uiteindelijk werden de manier waarop ik toegang krijg tot deze plekken, het verblijf, het onderzoek en de locatie even belangrijk als de uiteindelijke creatie. Het werd mijn doel om het publiek kennis te laten maken met deze verlaten werelden, waar er nog een soort vrijheid en stilte heersten het zelfbesef je overvalt. Hoe trigger ik het publiek en kan ik het aanzetten deze plekken een laatste groet te komen brengen voor hun uiteindelijke sloop?”

Van die verlaten plekken zette je de stap naar de exporuimte. Hoe ging dat precies?

“Ik heb altijd geweten dat ik uiteindelijk mijn werk tussen vier witte muren zou tonen. Ik zag de publieke ruimte als een test voor mezelf voor later. Hoe speel je in op ruimtes? Welk type werk komt het best tot zijn recht op welke plek? Wat brengt de ruimte bij aan het werk en andersom? De publieke ruimte kan je puur vormelijk zien als het canvas. De keuze van de locatie kan het onderzoek of de boodschap achter het werk ook sturen.” 

“De exporuimte gebruikte ik in eerste instantie als een soort uitvalsbasis van waaruit het publiek kon vertrekken naar interventies in de publieke ruimte. Later hercreëerde ik er situaties van buiten, niet als een set-design, maar duidelijk als een abstracte vertaling ervan. Zo zette ik het publiek aan om de eigenlijke locatie te gaan ontdekken, in plaats van enkel de vertaling te beleven.”

Soms verwijs je expliciet naar maatschappelijke thema’s, bijvoorbeeld wanneer je de asbestproblematiek aan bod brengt. Daarnaast wil je je publiek stimuleren om naar de dingen te kijken vanuit verschillende standpunten. Waarom doe je dat?

“Tijdens mijn exploraties in bouwvallige gebouwen kom ik helaas vaak met asbest in contact. De grote kans om op asbest te stuiten, is jammer genoeg een van de minpunten van de plekken die ik probeer aan te prijzen. Toch is de brede massa er onwetend over, leven er onduidelijkheden of misvattingen en wordt de asbestproblematiek genegeerd of toegedekt. Dat alles deed me denken aan de vragen die ik zelf vaak krijg over de locaties die ik openstel. Die vrees voor het onbekende - zonder zelf verder onderzoek te doen of je open te stellen om de onduidelijkheden te ontkrachten - is iets wat ik graag aankaart in mijn werk. Doe je dat niet, dan ben je een speelbal van iemand anders.”

Met ‘Child’s Play’ kom je met nieuw werk naar de Warande. Wat mag het publiek verwachten?

“De tentoonstelling is gestuurd door mijn bevindingen in mijn huidige woonplaats Amsterdam. Deze stad heeft nog weinig vergeten plekken en is daarom een uitdagend werkterrein voor mijn praktijk. Ik merkte dat, binnen de stadskern,
speeltuinen nog de enige plekken zijn die voor een groot deel van de tijd onbenut blijven. Ze zijn een magneet voor andere praktijken dan waarvoor ze in eerste instantie bedoeld zijn. Ze dragen een soort tristesse in zich, pal in het centrum van de stad, die ik doorgaans elders moet gaan zoeken. Tegelijkertijd staan ze in sterk contrast met de perfect georganiseerde binnenstad, waar elk hoekje optimaal benut is. Hierdoor kwam de vraag bij me op of dit alles ligt aan het ontwerp van het speeltuig, de situatie in de buurt of een shift in interesses bij kinderen. Dit onderzoek leidde tot nieuwe publieke interventies die de aanzet zijn voor deze tentoonstelling.”

Hoe verleid je in deze tentoonstelling de toeschouwer om zelf in actie te komen?

“Naast de presentatie van de publieke interventies breng ik het publiek via nieuwe installaties mentaal en fysiek terug naar de kindertijd en de speeltuin. In die periode en op die plaats daag je jezelf voor het eerst uit en is er nog volledige vrijheid voor zelfonderzoek. Met andere woorden, dit is de perfecte situatie om kunst te ontdekken, te ontcijferen en er toevlucht te zoeken. Het is haast kinderspel.”

waiting list

Wishlist

Added:

To wishlist

Subscribe to the newsletter